Margaretha van Godewijck – ‘de Dordtse parel’

Margaretha van Godewijck (1627-1677): Dordtse vrouw die erin slaagde zich door zelfstudie te ontwikkelen buiten het officiële onderwijssysteem (waartoe zij geen toegang had) om.

Reden van nominatie: Margaretha had het geluk dat ze, meer dan vele van haar tijdgenoten, de kans kreeg zich te ontwikkelen en greep die kansen ook aan. Margaretha was al tijdens haar leven bekend vanwege haar opvallend veelzijdige talent. Zij beheerste het klassieke Grieks en Latijn, sprak meerdere buitenlandse talen, dichtte, musiceerde en borduurde en was bedreven in het glasschilderen.

Genomineerd door Saskia Lensink

MARGARETHA van GODEWIJCK (1627-1677):
een hoogbegaafde vrouw in Dordrecht in de zeventiende eeuw.

In de zeventiende eeuw was het niet gebruikelijk dat meisjes vervolgonderwijs genoten aan de Latijnse school. Die school was vooral bedoeld om jongens op te leiden voor bestuurlijke ambten waarbij men zich moest kunnen uitdrukken in het Latijn. Margaretha was de dochter van Pieter van Godewijck die leraar was aan de school in Dordrecht, gevestigd aan de Nieuwstraat (nu The Movies). Zij bleek een zeer leergierig meisje. Thuis gaf haar vader haar les in Latijn waarbij zij een niveau behaalde waarmee zij zelfstandig Bijbelteksten, Latijns proza en poëzie kon lezen. Rector Rampius leerde haar Grieks: zij las Griekse tragedies in de originele taal. Ook op kunstzinnig gebied had zij talenten.
In het Regionaal Archief Dordrecht bevinden zich twee handgeschreven bundels van haar met Nederlandse teksten en geschilderde emblemen (steeds een Latijnse spreuk met een geschilderde afbeelding en een Nederlands gedichtje), maar ook Franse en Latijnse gedichten (1). Matthijs Balen nam in zijn Beschrijvinge van de stad Dordrecht (2) dat na haar dood in 1677 verscheen, drie drempelgedichten van Margaretha op en roemde haar talenkennis en haar talenten op kunstzinnig gebied. Ze had schilderles van de Dordtse Cornelis Bisschop.

Aan haar bundel met alleen Latijnse gedichten was nog geen aandacht besteed. Deze teksten en de Latijnse en Griekse teksten uit haar eerste bundel zijn vertaald door Margreet Lefeber-Karres en daarmee zijn nieuwe facetten van deze bijzondere dochter van Dordrecht aan het licht gekomen.

Genomineerd door Margreeth Lefeber

[1] RAD, Collectie van Handschriften, toegang 150, inv. 1024 en 1025.

[2] Matthijs Balen, Beschrijvinge van de stad Dordrecht, p 203-204. [1] RAD, Collectie van Handschriften, toegang 150, inv.1025.


MARGARETHA VAN GODEWIJK (1627 – 1677) 
Volgens Houbraken was haar vader leraar aan de Latijnse school in Dordrecht, die haar Grieks, Latijn, Italiaans, Frans en Engels onderwees. Zij kon bovendien ook nog Hebreeuws volgen. Zij was dichteres, maar leerde ook schilderen van Nicolaes Maes en was bijzonder bedreven in het schilderen van landschappen, villa’s en huizen, bloemen en allerlei soorten schepen, zowel in olie- als waterverf. Ook kon ze goed borduren en speelde zij klavecimbel. Verder was zij bekwaam in astronomie en maakte ze ook diamant gravures in glas.(roemers). Houbraken citeert hiermee de Dordtse geschiedschrijver Mathias Balen (1611-1691) die in zijn boek verscheidene beroemde dames opsomde. Volgens de RKD was zij een leerlinge van Cornelis Bisschop en schilderde zij bloemen, maar er zijn geen werken overgeleverd van haar. Een gedicht van haar over (de instorting van) de Wijnbrug is wel bekend:
“Hooghe torens, steyle wallen, Dicke Bruggen moeten vallen; Hoe sy trotser syn gemaeckt, Hoe haer val te eer genaeckt Heden heb ick sien geschieden, lck, en meer dan hondert lieden, Hoe de Wijn-brugh viel ter neer Sonder hulp, of tegen weer Hoe sy is ter neer gesoncken, In de haven half verdroncken, Met een vrouw, die in de noot Wt gehaelt is, hallif doot Als ick dit quam aen te mercken, Sagh ick Godes wonder wercken, Hoe hy, dat om hooghe staet Met syn handt ter neder slaet Daerom soo ghy wert verheven, Wilt niet al te moedigh leven, En niet klimmen boven al, Of u naeckt groot ongevall”

En nog een gedicht op het huis ‘De Onbeschaamde’.
Op ’t Treffelyck Ghe-Bouw van de Heer Abraham van Beveren, Heere van Barendrecht. Gelijck als Rome stoft op’t prachtigh Lateraen, Florens op Pratelin en deftighe Gebouwen, Venetien opt ghesicht die bij Rialto staen, En Genua op ’t Palis van Marmer uytgehouwen. Mijn vaderlijcke stadt heeft oock geen minder reën Te roemen op ’t Gebouw, dat in de breet komt rijsen, En na de hooghte stijght met deftigh hout en steen; Soo dat ickniet en kan of moet den Bouw-Heer prijsen,. Die ’t Oude Dordrecht verciert met sulck een Heerlick werck, Hij doet syn Schadtkist op int ’t beste van syn jaren, Hij bouwt een Huys, gelijck een treffelijcke kerck, Tot Roem van syn Gheslacht en Burger Heeren-Scharen.

Margaretha van Godewijck (ook Godewijk) werd op 31 augustus 1627 in Dordrecht gedoopt en overleed in Dordrecht ongehuwd en kinderloos op 2 november 1677. Zij was de dochter van Pieter van Godewijck (1593-1669), schoolhouder, preceptor aan de Dordtse Latijnse school, dichter en schrijver, en Sara Cornelisdr Pijpelaars, ook Pijpelaer, (1600/1601-1677). Margaretha wordt herinnerd als een verdienstelijke dichteres, glasgraveerster, borduurster, musicus en schilderes. Zij blonk uit in kennis van het Engels, Frans, Italiaans en de klassieke talen. Zij werd opgevoed in een calvinistisch gezin en deze overtuiging droeg zij uit, ook in haar gedichten. Zij was diep religieus en haar levensmotto was: ‘Tot Gode is ons wyck’. Haar opvoeding en haar talenten deden Margaretha kennen als een vrouw met een bovengemiddelde begaafdheid. Dat bracht vooral lokale bewonderaars ertoe haar te vergelijken met de internationaal beroemde geleerde en kunstenares Anna Maria van Schurman (1607-1678), ’de Utrechtse Minerva’.

Hoewel Margaretha dat niveau beslist niet bereikte, werd zij betiteld als ‘de Dordtse parel’. Margaretha groeide op in een gezin met veel aandacht voor cultuur en individuele ontplooiing. Vader Pieter van Godewijck begon als schoolmeester en zette zijn school enkele jaren later om in een Franse school. Hoewel Pieter in 1619 aan de Latijnse school werd verbonden, zal hij haar onderwijs in lezen, schrijven en rekenen in eigen hand hebben gehouden. Na dit elementaire onderwijs bemoeide Pieter zich intensief met haar voortgezette opleiding. Hij onderwees Margaretha in het Engels, Frans en Italiaans en maakte haar vertrouwd met de reken-, wis- en sterrenkunde. Margaretha bezocht de Latijnse school niet, want die was voorbehouden aan jongens. Zij maakte thuis kennis met het Latijn, een vak dat Pieter in de laagste klas van de Latijnse school onderwees. Goed privaat onderwijs en een sterk geheugen leidden er toe dat zij al jong de favoriete auteurs van haar vader (Tacitus, Virgilius en Lucanus) redelijk kon begrijpen. Voor het Grieks week Pieter deels uit naar een collega van de Latijnse school. Margareta zou op 15-jarige leeftijd in staat zijn geweest het Nieuwe Testament in het Grieks te lezen. In januari 1645 arriveerde Johannes Rampius als nieuwe rector in Dordrecht. Deze vervolmaakte haar kennis van het Grieks en op 18-jarige leeftijd las Margaretha de treurspelen van Euripides en Sophocles. Rampius onderwees haar vervolgens in de geschriften van de kerkvaders.

Zij studeerde ook Hebreeuws, maar volgens bewonderaar Balen beperkte zich dat tot ‘begrypende de Hebreeusche-boek-staven’. Margaretha had aandacht voor historische en actuele gebeurtenissen in Dordrecht. Uit haar ode Op Dordrecht. Myn geboortens Stadt uit 1654 blijkt haar trots op de stad en beschrijft zij zaken als het Stapelrecht, de Hollandse Munt, de vroomheid van de predikanten, de vele geleerden en de politieke betekenis van dit ‘Hollants cieraet, de bloem van alle steden’. De ode geeft aardige (opgeklopte) informatie over stad en inwoners, maar een fraai gedicht is het niet. Ook Breman ‘twijfelt aan de dichterlijke waarde van dit soort gerijm’. Wel bestaat er consensus onder critici over de goede kwaliteit van enkele gelegenheidsgedichten, zoals uit 1643 Op de vaart, naar de Oost- ende Westindiën over de expansiedrang van de Republiek. Een ander is Aen Mars op het opspringhen van ’s lants magezijn binnen Dordrecht uit 1652 over de explosie van het kruitmagazijn op de Vest naast de Vriesepoort. Zij dichtte ook op landelijke gebeurtenissen en daarbuiten, vooral als het Huis van Oranje-Nassau daarbij betrokken was, waarvan zij een vurige aanhanger was. Bij een overwinning van Frederik Hendrik stond zij stil, maar ook bij de onthoofding van Karel I van Engeland en het door haar veroordeelde gedrag van Olivier Cromwell. Aan de moord op de republikeinse gebroeders De Witt in 1672 besteedde zij geen versregels, een neutrale waarnemer was zij waarschijnlijk niet. Margaretha was kritisch op haar gedichten. In haar Nulla dies sine linea, geen dag zonder een (vers)regel wees zij op het belang van het dagelijks oefenen van versregels. Haar gedichten zijn ook een bron van persoonlijke informatie. Uit haar verzen blijkt dat zij klavecimbellessen volgde bij Theodorus Tegelbergh. Haar drang om zich in vele richtingen te ontplooien deed haar omstreeks 1653 teken- en schilderlessen volgen bij de portretschilder Cornelis Bisschop (1630-1674). Over de beide kunstenaars spreekt zij waarderend. In haar vrije tijd hield zij zich bezig met poëzie, borduren, tekenen en schilderen, het graveren van glas en het bewerken van schelpen; de laatste kregen een plaats in haar rariteitenkabinetje. De opzet van een collectie rariteiten zou een gevolg kunnen zijn van haar contact met predikant Andreas Colvius die een bijzondere rariteitencollectie bezat. Uit haar dichtwerk blijkt eveneens dat zij contact onderhield met de Dordtse predikanten Johannes Vrechemius, Nicolaas Crucius en Petrus Wassenburg. Voor de laatste twee schreef zij na hun overlijden een treurzang. Deze contacten hielden zeker verband met haar vrome levenshouding die ook uit de ondertekening van haar geschriften bleek: ‘Tot Gode is ons wijck’ of ‘Deus nostrum asylum’ dan wel ‘Dieu est mon refuge’. Er zijn geen gedichten bekend waarin zij voor een persoon romantische gevoelens koestert. Margaretha verkeerde in de hoogste Dordtse kringen en kwam daardoor in contact met onder anderen geneesheer en schrijver Johan van Beverwijck, predikant Andreas Colvius en zijn gezin en met de familie Van Wesel. Maria Nicolaasdr (Boot) van Wesel trouwde Johan van Beverwijck en Dominicus Johannesz van Wesel trouwde Anna Roemers Visscher (1583-1652), dichteres en bekwaam glasgraveerster. Margaretha heeft ongetwijfeld de invloed van dit milieu ondergaan. Aan de familie Van Wesel wijdde zij enkele gedichten. Scheltema gaat echter te ver als hij stelt dat Anna Roemers Visscher na haar huwelijk in 1624 in Dordrecht kwam wonen en Margaretha ‘begeleidde tot die kunsten waarin zij uitmuntte’. Anna volgde namelijk haar man (dijkgraaf) naar de Wieringerwaard, waar zij zich ‘levend begraven’ voelde. Anna woonde in 1640 een tijdje in de Zuidelijke Nederlanden, daarna in Leiden en overleed in Alkmaar. Anna Roemers gaf Margaretha wellicht aanwijzingen, maar van een begeleiding ter plaatse was geen sprake. In deze kring kwam Margaretha mogelijk ook in contact met Anna Maria van Schurman die met Johan van Beverwijck een nauw contact onderhield.

Voor Margaretha waren deze vrouwen voorbeelden naar wie zij zich wilde richten. Voor beroemde Nederlandse geleerden schreef Margaretha gedichten en met een aantal geleerden schijnt zij gecorrespondeerd te hebben. Twee door Margaretha handgeschreven dichtbundels zijn bewaard gebleven. De bundel uit 1652, Margaretae Godevicae Poemata, bevat Latijnse gedichten met een inhoudsopgave. Haar vorderingen in de teken- en schilderkunst worden duidelijk in haar bundel Gedichten van Margaretha van Godewyck, met xxviii door haar geschilderde zinnebeelden. In deze bundel uit 1854 staan korte teksten in het Nederlands, Frans en Latijn; naast de religieuze geschriften zijn er moraliserende poëzie en brieven opgenomen. De 28 geaquarelleerde emblemata zijn origineel, maar doen onbeholpen aan door de toegepaste anatomie en perspectief. Uit haar zelfportret blijkt dat zij meer in zich had. Het handschrift in de bundel is fraai. In sierlijk niet-verbonden schoonschrift bewijst zij over een vaste hand te beschikken. Die vaardigheid zal haar van pas zijn gekomen bij het graveren van glaswerk en bij het maken van haar borduurwerken waarin zij volgens M. Balen ‘gedaant-nabootzing, landschappen, watervallen, huyzen, stroomen- en zeebevaringe, met allerley slag van schip-gevaart’ verwerkte. De genoemde bundels bevatten het belangrijkste werk van Margaretha.

Met haar korte gedichten en spreuken in de bundel met de emblemata is zij het sterkst. Vorm en inhoud doen volgens sommigen denken aan het werk van Jacob Cats. Deze bundels rechtvaardigen haar naam als dichteres. Zij geeft hierin tevens blijk van een grote belezenheid en kennis van de Griekse en Romeinse schrijvers. Na het overlijden van haar moeder op 20 oktober 1677 maakte Margaretha bij notaris Heckenhouck haar testament en bepaalde de verdeling van ‘hare naer te laten konst ende boecken’. Haar nicht Margrieta Thomas Gravendyck bleek de voornaamste erfgenaam, neef Samuel van der Heyden mocht ‘twee van haer alderbeste ende grootste stucken borduyrwerck‘ uitzoeken en bovendien ‘al haere papiere teyckenkonst en prenten’ en alles wat bij die tekenkunst behoort. Stadshistoricus Matthijs Balen werd bedacht met een borduurwerk (een door Margaretha in 1673 gemaakt landschap). Op 2 november 1677 overleed Margaretha van Godewijck.

Voorgedragen door Alfred Tusschenbroek – ’t Gilde

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *