Mariken Jansdochter – oudst bekende vrouwelijke chirurgijn van Nederland

Mariken Jansdochter wordt in 1593 te Dordrecht vermeld als ‘meestersse’. Daarmee is zij de oudst bekende vrouwelijke chirurgijn van Nederland. Tot nu toe kwam deze titel toe aan Trijn Jacobs, die rond 1630 lid was van het Amsterdamse chirurgijnsgilde.

Dat een vrouw het beroep van chirurgijn uitoefende, was uitermate ongebruikelijk. Een chirurgijn was weliswaar geen arts, maar vervulde wel een essentiële rol in de medische zorg. Voor botbreuken, wonden, zweren, kleine operaties en dergelijke werd geen arts ingeschakeld, maar een chirurgijn. Sterker nog: artsen vonden dat soort uitwendige zaken ver beneden hun waardigheid. Zij hielden zich bezig met inwendige ziekten en de theoretische oorzaken daarvan. Wonden en breuken waren geen ziekten en behoorden dus niet tot hun werkterrein.

Een verwant beroep, waarin vrouwen wél al eeuwenlang geaccepteerd waren, was dat van vroedvrouw. In een wereld die beheerst werd door mannen, nam zij een bijzondere positie in, met een grote mate van zelfstandigheid. Om toch meer grip op hun handelen te krijgen, werden de vroedvrouwen in de loop van de zeventiende eeuw overigens wel opgenomen in de stedelijke chirurgijnsgilden. Vanaf dat moment moesten zij een examen afleggen om toegelaten te worden.

Dit alles deed zich echter pas voor, lange tijd na de vermelding van de Dordtse vrouwelijke chirurgijn Mariken Jansdochter. Dankzij een artikel in Oud-Dordrecht is Mariken Jansdochter niet alleen ‘onder het stof vandaan gehaald’, maar is ook haar bijzondere bekwaamheid in het vak aangetoond.

De akte uit 1593 (foto) vertelt het verhaal: Op verzoek van Mariken Jansdochter meestersse verklaarde de knoopmaker Lieven Nering, dat hij drie achtereenvolgende jaren verscheyde gaeters beneden de knie in zyn rechter been gehad heeft. Hij heeft daar drie verschillende meesters of chirurgijns bijgehaald, om hem daarvan te cureren ende genesen. Zij zijn daar niet in geslaagd, hoewel zij daartoe soo’t scheen hun diligentie deden en verschillende sustantien gebruikten. Hij had zich daarna onder de handen van Mariken gesteld, die het quaet been (hoewel dit door de voorgaande meesters zeer verdorven was) met Godes hulpe gecureert & genesen heeft. Hij heeft aan het been nu geen letsel meer, zodat hij Mariken vanwege haar gedaene cure naest Godt ten hoechsten is bedanckende. Mariken Jansdochter was dus niet alleen een bekwame ‘meesteres’, maar wist ondanks de wanprestatie van haar collega-chirurgijns het been van de patient toch volledig te genezen.

Genomineerd door Kees Sigmond

Geertje Dekkers, ‘Aletta Jacobs was niet de eerste’, in: De Volkskrant d.d. 24 november 2018.

Dr. M.A. van Andel, Chirurgijns, Vrije Meesters, Beunhazen en Kwakzalvers – De chirurgijnsgilden en de praktijk der heelkunde (1400-1800), ’s-Gravenhage 1981.

Kees Sigmond, ‘Quade armen en benen (1587, 1593)’, deel 26 in de serie Schetsen uit Dordtse akten, in: Oud-Dordrecht 2017 nr. 3, p. 263-265, ald. p. 265. Diligentie: ijver, inspanning.

Sustantien: substanties, middelen. RAD 9, ORA 592 (oud: 896), fol. 34, d.d. 7-5-1593.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *